Anne de Jong is antropoloog, universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam en sinds 2026 actief in de Amsterdamse politiek voor Progressief Nederland. Dyslexie was lang iets waar ze liever niet te veel aandacht op vestigde. Pas toen haar zoon vastliep op school, ontdekte ze hoeveel invloed het op haar zelfbeeld had.
Anne de Jong groeide op met het idee dat haar oudere zus “de slimme” was. Haar zus ging naar het gymnasium, haar broer worstelde zichtbaar op school door dyslexie en Anne zat daar ergens tussenin. Ze hield van lezen, van verhalen en van schrijven, maar spelling leek altijd mis te gaan. ‘Ik hoorde minstens één keer per dag dat ik slordig was.’ Pas jaren later ontdekte ze dat ze zelf ook dyslexie heeft. Maar pas toen haar zoon op de basisschool dyslectisch bleek, ging ze zich er écht in verdiepen. ‘Toen viel alles op z’n plek.’
De jongen die ineens veranderde
Jonas was altijd een vrolijk kind. Een energieke jongen die genoot van alles. Tot groep 3 begon. ‘Hij kwam ineens totaal anders thuis van school,’ vertelt Anne. ‘Moe, verdrietig, gefrustreerd.’ Lezen lukte niet zoals bij andere kinderen en al snel kreeg het gezin vragen vanuit school. ‘Hadden wij thuis wel boeken? Lazen we Jonas wel voor?’
Anne moet daar achteraf bijna om lachen. ‘Wij hebben boekenkasten vol.’ Toch liep Jonas steeds verder vast. Tijdens een gesprek op school krijgt Anne te horen dat haar zoon “de boel belazerde”. Hij zou de leesverhaaltjes uit zijn hoofd hebben geleerd, maar kon ze volgens school eigenlijk niet lezen, beweerde de juf. ‘Ik vond dat zó pijnlijk. Hij was zeven. Hij deed ontzettend zijn best.’ Dat moment raakte oud zeer. ‘Ik dacht alleen maar: ik wil niet dat hij zich straks net zo gaat voelen als ik vroeger.’
Altijd nét niet goed genoeg
Anne groeide op in de jaren negentig, in een tijd waarin dyslexie nog veel smaller werd bekeken dan nu. Omdat ze hield van lezen en taal, dacht bijna niemand aan dyslexie. Zij zelf ook niet. Ze werkte hard, hield van verhalen schrijven, maar struikelde voortdurend over spelling. ‘Ik kon verhalen bedenken, maar woorden opschrijven ging vaak mis.’
Ze ontwikkelde allerlei manieren om fouten te vermijden. Nog steeds herschrijft ze soms hele zinnen om woorden een dt-regel te ontwijken. ‘Dan maak ik van “wordt behandeld” gewoon “komt aan bod”. Dat doe ik automatisch.’
‘Ik hoorde minstens één keer per dag dat ik slordig was’
Wat doe jij hier? Jij denkt academisch’
Op school kreeg ze werkstukken terug vol rode strepen. Eén moment herinnert ze zich nog haarscherp: een boekbespreking over Achtste-groepers huilen niet. ‘Ik sprak de hoofdpersoon uit als Aukje in plaats van Akkie. De hele klas moest lachen.’
Toch waren er af en toe volwassenen die verder keken dan haar fouten. Een docent zei ooit tegen haar: ‘Het gaat erom dat jij die verhalen kunt bedenken.’ Die zin bleef hangen.
Maar het idee dat universiteit misschien ook voor haar was, kwam pas veel later. Tijdens haar hbo-studie zei iemand tegen haar: ‘Wat doe jij hier? Jij denkt academisch.’
‘Dat was de eerste keer dat ik überhaupt dacht: misschien kan ik dit wel.’
De ontdekking
Toen Jonas uiteindelijk werd getest, begon Anne zichzelf steeds vaker te herkennen in wat ze hoorde. De manier waarop hij dacht. Hoe hij woorden ombouwde. Hoe hij hard werkte om fouten te vermijden. ‘Ik dacht steeds: zo doe ik dat ook.’
Bij de diagnose van Jonas viel alles samen. ‘Toen snapte ik voor het eerst dat het niet ging over intelligentie,’ zegt ze. ‘Mijn hele leven dacht ik dat ik gewoon harder moest werken om slim te zijn.’
Voor Jonas kwam de diagnose op tijd. Via begeleiding - en later via HOI Foundation - begon zijn zelfvertrouwen langzaam terug te komen. Hij hield zelfs een spreekbeurt in een Happy Dyslectisch-shirt. ‘Zo goed dat hij hem later nog een keer mocht geven voor andere klassen.’ Anne zag wat die positieve benadering met hem deed. ‘Hij ging zichzelf ineens anders zien. Als iemand die anders denkt.’ Dat veranderde ook haar eigen blik.
Van schaamte naar openheid
Lang hield Anne haar dyslexie zoveel mogelijk verborgen. Tijdens haar promotietraject en haar werk aan de universiteit bouwde ze allerlei systemen om fouten op te vangen. Mailtjes controleerde ze eindeloos. Teksten gingen altijd nog een keer langs iemand anders. Tot ze besloot dat ze er klaar mee was. Toen ze als mastervoorzitter het academisch jaar opende voor duizenden studenten van de UvA, droeg ze bewust een Happy Dyslectisch-shirt. ‘Ik dacht: als ik tegen mijn kinderen zeg dat er niets mis met ze is, dan moet ik dat zelf ook laten zien.’
De reacties verrasten haar. Collega’s kwamen voorzichtig naar haar toe. ‘Dan zeiden ze: “Ik ben het ook.”’ Dat fluisteren raakte haar. ‘Blijkbaar voelt het nog steeds als iets wat je geheim moet houden.’
Zelf ziet Anne inmiddels juist duidelijke verbanden tussen dyslexie en haar werk als antropoloog. ‘Ik denk heel associatief en zie grote verbanden snel. Op school noemden ze dat chaotisch. Op de universiteit noemen ze het complex denken.’ Ze lacht. ‘Dat verschil zegt eigenlijk alles.’
‘Op school noemden ze het chaotisch. Op de universiteit complex denken.’
Geluk hebben
Wat Anne misschien nog het meest bezighoudt, is hoeveel afhangt van geluk. Een goede leerkracht. Een oplettende remedial teacher. Ouders die tijd, geld en kennis hebben om hulp te zoeken. ‘Het moet geen geluk zijn dat iemand door een docent wordt gezien.’
Dat ziet ze ook bij haar eigen kinderen. Haar dochter Juliette kreeg op school direct verrijkingsonderwijs toen bleek dat ze meer uitdaging nodig had. Dat werd vanzelf georganiseerd. Bij Jonas moest het gezin jarenlang zoeken, regelen en betalen voordat de juiste hulp kwam. ‘Daar zit zo’n verschil in,’ zegt Anne. ‘Bij hoogbegaafdheid wordt vaak meteen gekeken: hoe kunnen we talent stimuleren? Bij dyslexie gaat het eerst over achterstanden en problemen.’ Dat wil ze veranderen.
Een ander verhaal over dyslexie
Anne zet zich inmiddels actief in voor meer aandacht voor neurodiversiteit in het onderwijs en de politiek. Volgens haar begint verandering bij een andere manier van kijken. ‘We moeten stoppen met het idee dat er één soort goed brein bestaat.’
Ze hoopt dat kinderen eerder leren begrijpen hoe hún manier van denken werkt, inclusief de kwaliteiten die daarbij horen. ‘Zelfvertrouwen is daarin alles,’ zegt ze. ‘Een kind moet niet eerst helemaal vastlopen voordat er hulp komt.’ Dat geldt voor Jonas, maar eigenlijk ook voor haarzelf vroeger. ‘Ik heb geluk gehad,’ zegt ze. ‘Dat er mensen waren die door mijn spelfouten heen keken. Alle kinderen verdienen dat.’