Gershwin Bonevacia is dichter, performer en voormalig stadsdichter van Amsterdam. Taal is zijn instrument. Hij staat met zijn werk op podia, in de publieke ruimte en publiceert boeken. Op 13 april ontvangt hij - als jongste ooit - de Gouden Ganzenveer, een van de belangrijkste prijzen voor het geschreven woord in Nederland. Dat hij dyslectisch is, vinden vooral anderen een contrast met zijn talent en beroep.
GERSHWIN: ‘Ik kwam erachter dat ik dyslectisch ben ergens tijdens de laatste twee jaar van de basisschool. Ik was tien, elf jaar. Ik had tegenvallende schoolresultaten, maar ook alles met betrekking tot lezen bleef heel erg achter. Het was zelfs de vraag of ik de Cito-toets in groep acht wel mocht maken, omdat ik het benodigde AVI-niveau niet beheerste. Toen ben ik getest op dyslexie. Eenmaal vastgesteld, ging ik naar een praktijk voor ondersteuning. Als ik daar zo op terugkijk, was dat vooral een soort bijles. Ik leerde niet echt over het hele landschap van wat dyslexie is en wat het met je doet, maar het was vooral: extra oefenen. Schrijven, lezen, woorden herkennen.’
Hoge intelligentie
In dezelfde periode wordt er een intelligentietest gedaan. ‘Daar kwam uit dat mijn IQ bovengemiddeld was.’ De twee testen verklaren veel. ‘Ik was geïnteresseerd in geschiedenis en maatschappijleer en dacht al jong heel bewust en filosofisch na. En ik was goed in sporten. Dus ik haalde vooral achten en tienen, maar voor begrijpend lezen, dictee en spelling waren mijn cijfers heel laag. Dat contrast was heel groot. Dus het was altijd zoeken: wie ben ik dan, en waar komen die wisselende resultaten vandaan? Ik was niet onzeker, want ik wist dat ik goed was in veel dingen. Maar dyslexie zorgde er wel voor dat ik op een heel laag onderwijsniveau ben ingestroomd na de basisschool.’
‘Op een gegeven moment ga je denken: wat
kan ik later níet worden?’
Middelbare school
Onzekerheid komt later wel, op de middelbare school. ‘Daar ga je op een gegeven moment twijfelen over wat jouw potentie is.’ De vraag verschuift: niet meer ‘Kan ik dit?’, maar ‘Wat kan ik later worden?’. Gershwin begint zijn toekomst te filteren. Zonder het hardop uit te spreken, streept hij opties af. ‘Als ik zoveel moeite heb met lezen en schrijven, dan kan ik geen advocaat worden, of journalist, presentator. Dan moet ik iets anders zoeken en mijn potentie shiften. Dat soort dingen ga je uitsluiten. Omdat je al weet dat daar niet je kracht zit.’
Uiteindelijk belandt hij - vanuit het vmbo, via het mbo - op het hbo. ‘En deed ik alles met twee vingers in de neus.’ Hij relativeert. ‘Maar dat heeft natuurlijk ook te maken met je omgeving. Met de begeleiding die je krijgt en met wat anderen voor jou zien. Je bent nog kind. Ouders, school, begeleiders. Die bepalen die weg ook voor jou. Mijn ouders stonden altijd achter me, maar die krijgen ook advies van school. Als school zegt: we twijfelen of hij de Cito-toets kan doen, dan neem je dat als ouder aan. En daar ga je naar handelen.’ Hij kijkt er zonder wrok op terug. ‘Ik kan me voorstellen dat het moeilijk is. Je wilt elk kind op maat begeleiden, maar een docent zit ook met dertig kinderen die een beetje gemiddeld moeten zijn. Dus ik kijk daar niet per se negatief op terug. Maar als ik later een kind heb dat dyslectisch is, ben ik me daar wel bewuster van.’
‘Als dyslect ga je taal op een andere manier gebruiken’
Spelen met woorden
Terug naar het einde van de middelbare school. ‘Ik wist op een gegeven moment: dyslectisch zijn blokkeert mijn intelligentie niet. Ik haalde goede cijfers, dus waar ik het eerst nog wel eens associeerde met dom zijn, had ik dat tegen die tijd niet meer.’
Tijdens zijn middelbare schooltijd begint hij met gedichten schrijven. ‘Ik was veertien, vijftien. Het lijkt tegenstrijdig. Moeite hebben met taal, en dan juist taal kiezen. Maar ik denk dat het juist daardoor komt. Als dyslect ben je constant met taal bezig. Extra bijles, extra workshops, een begeleider. Dus je gaat taal op een andere manier gebruiken, zodat het makkelijker wordt voor jezelf. Dat begint met een synoniem als je niet weet hoe je iets moet schrijven. En op een gegeven moment wordt een synoniem een metafoor. Dan ga je de hele zin ombouwen.’
Hij glimlacht. ‘Ik kreeg er gewoon lol in. Ik schreef een zin en probeerde die dan nog een keer te schrijven met andere woorden. Dan had ik drie of vier zinnen met dezelfde inhoud, maar anders geformuleerd. Dat hielp me ook praktisch. Zeker toen er nog geen spellingscontrole was. Alles duurde twee keer zo lang. Ik was onzeker als ik iets moest opsturen. Een sollicitatiebrief, noem maar op. Aan de ene kant was het gedwongen, maar aan de andere kant vond ik het ook gewoon leuk. Ik wist wat een metafoor was, wat een homoniem was. Woorden met meerdere betekenissen, daar was ik goed in.’
‘Ik merkte: ik ben hier goed in’
De beste van de groep
Het echte kantelpunt komt iets later. ‘Toen ik zeventien was, deed ik mee aan een workshop voor jonge schrijvers bij SKVR in Rotterdam-Zuid, waar ik woonde. Het eindigde met een presentatie. Ik had drie, vier gedichten geschreven en moest die voordragen. Toen merkte ik: los van dat ik het leuk vind, ben ik er ook goed in. En anderen vonden dat ook. Ik was de beste van de groep. Dat voelde ik daar.’
Vanaf dat moment groeit het. ‘Toen dacht ik: laat me nog een keer meedoen met een workshop. Nog een wedstrijd. En zo is dat gaan groeien.’
Een ander soort brein
De positie die dyslexie in zijn leven inneemt is veranderd. ‘Als kunstenaar staat het me totaal niet in de weg. Maar in het dagelijks leven soms nog wel. Lezen, schrijven, mails; dat blijft lastig.’
In zijn werk ervaart hij juist de voordelen. ‘Als dyslect heb je een bijzonder brein. Je hersenen werken net anders, waardoor je andere inzichten hebt.’ Hij benoemt die kwaliteiten concreet. ‘Je kan beter buiten de box denken, oplossingsgericht werken, scenario’s schetsen.’ Die eigenschappen zijn niet losstaand. ‘Dat zijn juist de dingen die van pas komen als je kunstenaar bent.’
Zelfinzicht
‘Ik spreek me niet echt veel uit over het feit dat ik dyslectisch ben. Anderen doen dat vaak. Omdat ik met taal werk, vinden mensen het opvallend. Maar helemaal los staat het er natuurlijk niet van. Het is verbonden met waarom ik ben begonnen met schrijven. Het definieert me niet, maar het is wel iets wat ik met me meedraag.’
Toch voelt hij ook verantwoordelijkheid. ‘Als ik gevraagd word om erover te spreken, zeg ik geen nee. Niet iedereen kan zijn werk maken van creativiteit of zit in een omgeving waar hij tot zijn recht komt. Er zijn banen waar fouten direct zichtbaar zijn. Ik kan me voorstellen dat dat onzeker maakt. Dus ik vind het belangrijk om het bespreekbaar te maken. Handvatten te bieden.’
Volgens hem ligt de sleutel in zelfinzicht. ‘Als je weet waar je goed in bent, kun je dat inzetten. Dan compenseert dat.’
Alle dagen jezelf zijn
‘Ik denk dat er de laatste vijftien jaar veel meer aandacht is voor neurodiversiteit. Dyslexie hoort daar ook bij. Maar ik zie het niet los van autisme of ADHD. Het zit allemaal in hetzelfde spectrum van verschillen. Vroeger werd daar niks mee gedaan. Dan was je druk en een probleemgeval. Nu is er meer bewustwording. Meer onderzoek. Meer acceptatie.’
Maar hij waarschuwt ook. ‘Ik wil het niet romantiseren. Voor mij is dyslexie een superkracht, maar dat is omdat ik een creatieveling ben. Er zijn ook situaties waarin het gewoon lastig is. Als je in een kantoor werkt, veel moet lezen of schrijven. Dan kan het je onzeker maken. Dat moet je niet wegpoetsen.’
Waar het hem om gaat: dyslectisch zijn brengt verschillende eigenschappen met zich mee. ‘We focussen vaak op de negatieve, maar er zijn ook positieve kanten. En als je die kent, dan kunnen die compenseren. Dan wordt het makkelijker om de juiste plek te vinden. De juiste baan, de juiste omgeving. Ik heb een manier gevonden waarop ik altijd mezelf kan zijn.’
Een korte stilte. ‘Daar ben ik blij om. En hopelijk mag dat nog heel lang zo zijn.’